Wij, publieke veranderaars

Onze samenleving verandert fundamenteel. Transformatie van de overheid vergt massa, samenwerking en mandaat voor vernieuwing voor professionals. Het zijn niet alleen de instituties en werkprocessen, maar juist ook de mensen die daarbinnen opereren die vorm zullen moeten geven aan die transformatie. Mildo van Staden en Jeroen Pepers hebben dat enkele dagen geleden op dit Ambtenaren 2.0 blog ook betoogd. Pepers ziet heil in een overheid met ‘professional tolerance’: spreek medewerkers aan op hun professionaliteit en verantwoordelijkheid en geef hun de ruimte die te etaleren. Zij hebben wel een duidelijk mandaat nodig om openheid te zoeken en netwerken te verbreden zoals Van Staden aangeeft in zijn blog.

In het mission statement Wij: publieke veranderaars brengen een aantal netwerken in de publieke sector hun visie en veranderinitiatieven bij elkaar. Ook Ambtenaar 2.0 draagt actief bij aan dit doel.

 

Wij: publieke veranderaars eindigt met een oproep om de transformatie van de overheid samen te realiseren. Zó zien wij de noodzaak tot transformatie van de overheid. Zó willen publieke veranderaars daar aan bijdragen. Filmpjes van diverse professionals gaan illustreren hoe zij dat doen. Op 4 juli presenteren de initiatiefnemers, waaronder Slimmernetwerk, Ambtenaar 2.0, Ynnovate, Vereniging van overheidsmanagement en Beter Werken Openbaar Bestuur (BWOB), het statement online voor ondertekening.

 

In zijn blog geeft Jeroen Pepers aan dat professionals ruimte nodig hebben om de professional tolerance gezamenlijk in te vullen. Ze staan sterker als ze daar samen vorm aan geven. Terecht geeft Pepers aan dat er veel initiatieven voor vernieuwing in de publieke sector actief zijn. In het mission statement roepen de initiatiefnemers op om vooral niet dingen dubbel te gaan doen maar elkaars netwerken en kennis te benutten. In een meertrapsraket ontwikkelen ambtenaren hun ideeën in discussieplatforms en helpen ideegeneratieplatforms die ideeën te verrijken en rijpen. Doetanks kunnen professionals ondersteunen hun ideeën in acties om te zetten en een veel betere feedback te organiseren met hun beleidsmakers. Zo krijgen zij ruimte om te ontdekken wat beter, anders of slimmer kan. De netwerken zoals Ambtenaren Netwerk Nederland, Ambtenaar 2.0 of programma’s zoals Slim Samenwerken (VNG) vervullen weer een rol in het verder verspreiden van de uitgeteste resultaten op meerdere niveaus in de publieke sector. Initiatieven als ‘Train je Collega’ en ‘Serious Ambtenaar’ bewijzen hun meerwaarde voor slimmere kennisdeling binnen steeds meer organisaties. De absolute meerwaarde is om met elkaar te blijven bespreken hoe netwerken, programma’s en initiatieven een robuust samenhangend vernieuwersveld kunnen vormen. Steeds meer aansluiting en draagvlak bij de overheid zoals we die nu al kennen is een belangrijk streven. Een gezamenlijke missie is daarvoor essentieel. Niet alleen op papier, maar als een leidraad voor acties en operaties die we samen in uitvoering gaan brengen.

Vandaar de oproep aan alle Ambtenaar 2.0 leden: laat ook zien hoe jij nu al als publieke veranderaar aan de slag bent!

Dit blog is verschenen op Ambtenaar 2.0.

Van scaling up naar scaling across

Enkele principes vanuit de praktijk om complexe problemen te lijf te gaan

Opschalen, implementeren, uitrollen. Voor sommigen zijn het woorden die heel logisch klinken, anderen gruwen ervan. Alsof best practices of ‘trucjes’ elders op precies dezelfde manier toegepast kunnen worden en dezelfde resultaten zullen opleveren. Op basis van ervaringen elders worden besparingen of efficiëntieslagen zelfs al ‘ingeboekt’.

In het boek ‘Walk out Walk on’ volgen de auteurs Margaret Wheatly en Deborah Frieze zeven community’s verspreid over de hele wereld om van hun aanpak te leren en de vernieuwers samen te laten leren. Deze doeners zijn mensen die vernieuwing in het bloed hebben, maar niet de traditionele weg willen volgen van blauwdrukken, implementatieplannen en bestuurders die aangeven hoe de ontwikkeling moet worden aangestuurd. Zij lopen hiervan weg (walk out) en volgen hun eigen weg om beweging te starten met de mensen en middelen die er zijn (walk on).

De rol van deze vernieuwers is om juist in een tijd van ineenstortende systemen te experimenteren met nieuwe manieren van werken en organiseren. Ze werken daarbij met de zelforganisatie die al aanwezig is in de community als meest krachtige factor van het veranderproces. Lokale initiatieven kunnen zich ontwikkelen tot grotere transformaties door met andere lokale initiatieven in contact te treden. Niet in precies dezelfde vorm, maar wel op basis van dezelfde principes, met behoud van de uniciteit van de lokale context.

Wheatly en Frieze vonden tijdens hun ‘learning journey’ van Columbus in Ohio, via Shikshantar in India tot Johannesburg in Zuid-Afrika een aantal principes waar de community’s mee aan de slag zijn gegaan:

  • From scaling up to scaling across

    Opschalen creëert een monocultuur gebaseerd op standaardisatie en replicatie. De enige manier om grootschalige vernieuwing te realiseren is door ideeën en middelen zich over de wereld te laten verspreiden waarbij recht wordt gedaan aan de unieke context van mens en plaats. Niet opschalen maar translokaal leren.
  • From power to play
    Toen macht niet werkte, en niemand kwam om te helpen, namen burgers het heft in eigen handen: met een spel ontdekten ze hoe hun creativiteit werd aangewakkerd en zagen ze weer nieuwe kansen en mogelijkheden.
  • From problem to place
    Waar moet je starten om grote, complexe uitdagingen op te lossen? In plaats van het probleem in hapklare brokken op te delen en te discussiëren over welke aanpak het beste werkt, is een community gewoon gestart met de plek waar het probleem zich concentreerde. Begin ergens met wat er is, en volg de weg die daaruit voortkomt.
  • From efficiency to resilience
    Als een –zogenaamd- efficiënt systeem in elkaar valt, zoals de voedselketen in Zimbabwe, moet je weer teruggrijpen op (oude) bewezen methodes, werken met wat er is en zelfvoorzienend zijn. ‘Resilience’ is het aanpassingsvermogen van een systeem. Om kunnen gaan met ongeregeldheden en onzekerheden, en toch de basisfunctie en -structuur behouden.
  • From transacting to gifting
    Moeten we blijven groeien of kunnen we genoegen nemen met wat we nodig hebben? Voorbeelden van community’s die delen en geven wat ze niet nodig hebben zijn bijvoorbeeld de open source software-beweging, de zero waste-beweging, de do-it-yourselvers die zelf ervoor zorgen dat ze voorzien in hun basisbehoeften en de lokale economieën die experimenteren met nieuwe vormen van ruilen, kredietsystemen of alternatief geld.
  • From intervention to friendship
    De auteurs zien nieuwe vormen van diepgaande sociale vernieuwing opkomen gebaseerd op wederkerigheid, vertrouwen en vriendschap. De kracht van vriendschap brengt creativiteit, leren en ondersteuning voort zoals bijvoorbeeld in communities of practice.
  • From hero to host
    ‘The Art of Hosting’ gaat uit van de kracht van zelforganisatie om orde en structuur te verkrijgen zonder controle. In deze nieuwe leiderschapsvorm worden alle betrokkenen uitgenodigd voor een dialoog/gesprek om hen mede-eigenaar te maken van de verkenning van alternatieve manieren om uitdagingen op te pakken.

De auteurs kwamen niet tijdens, maar pas na hun reis tot de ontdekking welke systemen en invloeden ze dagelijks ondergaan. Bij terugkomst van een ‘learning journey’ voelden ze zich geconfronteerd met de ‘oude’ systemen en werden ze gedwongen om een keuze te maken. ‘We chose to act’. Dat is een mooie oproep om jezelf bewust te zijn van beperkende systemen en de bovenstaande principes toe te passen in de eigen praktijk.

Bij het lezen van dit boek werd ik gegrepen door het besef dat het een kwestie van kiezen (weglopen) en doen (act) is om zelf vernieuwing te starten. Daarbij zijn de principes een hulpmiddel, maar de kracht is juist dat je moet beginnen met wat er is aan mensen, middelen en plekken. Wacht niet tot er geld komt, leg niet alle hoop in een nieuwe leider die veel belooft maar niet alles kan waarmaken. Verbind mensen die hun schouders eronder willen zetten! En translokaal leren, in plaats van opschalen en uitrollen van werkende praktijken, heb ik tot een persoonlijk streven gemaakt. Niet scanning up maar scanning across.

Boekrecensie van Walk out Walk on. A learning journey into communities daring to live the future now. Margaret Wheatly, Deborah Frieze (Berret-Koehler Publishers, San Francisco, 2011).

Finse lessen: minder lesgeven, toch meer leren

“Less is more,” beargumenteert onderwijsexpert Pasi Sahlberg in zijn boek ‘Finnish Lessons, What Can the World Learn from Educational Change in Finland’. Minder competitie, minder toezicht en minder lesuren, en toch staat Finland al jaren achtereen aan kop als je de rankings mag geloven. De docenten zoeken continu de paradox ‘teach less and learn more’ op, met als hoger doel goede scholen voor iedereen. Nu zijn er natuurlijk verschillen tussen Finland en Nederland in cultuur, in de samenleving en in de scholen. Toch zou een aantal uitgangspunten een goede voedingsbodem kunnen vinden in Nederland. Het eerste wat eruit springt is de kwaliteit van de leraren en het lesgeven zo te verhogen dat er geen toezicht of inspectie meer nodig is.

Een utopie?

Ter ere van de publicatie van de Nederlandse editie van Finnish Lessons was Sahlberg te gast bij de Finse ambassadeur in Den Haag. In een bijna Fins winterdecor onderstreepte Sahlberg dat competitie absoluut niet leidend moet zijn als het om onderwijs gaat. Nooit heeft Finland het doel gehad om als beste onderwijssysteem uit vergelijkingen en benchmarks te komen. Sterker nog, Sahlberg zet zich ferm af tegen de GERM-infectie: General Educational Reform Movement, begonnen in de jaren tachtig en wereldwijd uitgegroeid tot een onderwijshervormingsdogma binnen veel onderwijsstelsels. De ambitie was in Finland om goede scholen voor iedereen te hebben. De beste manier om die ambitie te verwezenlijken is om leraren en schoolleiders goed voor te bereiden op hun taken. Dat is de kern voor een goede kwaliteit in Finland. Alle GERM’s en beleidsnota’s over onderwijssystemen kunnen de deur uit!

Hervormingsdogma’s, GERM of FIRM?

Welke educational reform dogma’s bedoelt Sahlberg nu eigenlijk? Het gaat in dit type hervormingen in de eerste plaats om standaardisering en homogenisering van het onderwijs met standaardtoetsen. Ten tweede zie je een nadruk op kerntaken van de school (lezen, schrijven, rekenen en wis- en natuurkunde), wat ten koste gaat van andere vakken. Het zoeken naar weinig risicovolle manieren om onderwijsdoelen te bereiken beperkt experimenteren en vermindert het gebruik van alternatieve, pedagogische benaderingen. De gedachte dat managementmodellen uit het bedrijfsleven ook tot verbetering zullen leiden in het onderwijs getuigt meer van een economische visie op onderwijs dan van de morele visie op menselijke ontwikkeling. Als laatste hervormingsdogma noemt Sahlberg de invoering van een beleid van rekenschap afleggen door de school op basis van toetsresultaten en prestaties van leerlingen, met mogelijke perverse gevolgen zoals belonen of straffen van scholen en leraren.

Finland heeft doelbewust niet meegedaan aan deze ontwikkelingen. Zij hebben de FIRM-manier ontwikkeld (Finnish Reform Movement), die zich kenmerkt door ‘op maat’ leren en lesgeven, focus op creatief leren, aanmoedigen van risico’s nemen, eigenaar blijven van de eigen innovatietraditie en gedeelde verantwoordelijkheid en vertrouwen. We herkennen hierin snel de tegenpolen van de GERM-virussen hierboven. De focus op kwaliteit van het onderwijs, goede scholen voor iedereen, kwaliteit van leraren en schoolleiders en onderling van elkaar blijven leren heeft Finland in ieder geval geen windeieren gelegd. Onderwijs wordt in Finland nu ironisch genoeg als exportproduct gezien!

Leren reflecteren

Een korte vergelijking: Nederlandse docenten geven per dag gemiddeld 60 minuten langer les in de klas dan Finse docenten, die per dag maximaal 4 uur lesgeven. Mijn vraag aan Sahlberg wat in het Finse systeem bijdraagt aan een hoge kwaliteit van lesgeven illustreerde hij met deze vergelijking. Wat Finse docenten namelijk in die andere tijd doen is van elkaar leren en samen reflecteren op hun wijze van lesgeven. Het halen van de benodigde uren onderwijstijd kan een obstakel zijn om als docenten samen te leren. Ook haalde de Finse auteur aan dat het wetenschappelijke onderwijsniveau van hun docenten bijdraagt aan peer learning.

Finland heeft niet altijd een goed onderwijssysteem gehad, ze komen van ver. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat de investeringen in docenten hun vruchten afwierpen. Ondanks de afleidingen in de vorm van bureaucratie en voorgestelde hervormingen van het onderwijssysteem onder druk van benchmarks of rapportages bleven ze de basis van sterke docenten en scholen nastreven. Belangrijker dan internationale vergelijkingen is de publieke waarde: hoe ervaren kinderen, ouders en belastingbetalers het onderwijs en zijn zij blij daarmee?

5 Finse lessen om die sterke basis te bereiken:

  1. Doelgerichte actie op alle lagen (vertrouwen op vakbekwaamheid van onderwijsmensen, slimmer organiseren met professionele dialoog, positief over het vak praten en perspectief schetsen).
  2. Doordacht onderwijs (bewust zijn van tradities, blijven toepassen van theorieën, concepten, onderzoek en innovatie).
  3. Diep leren (vertrouwen op curriculum en aanpak voor ontwikkeling van het kind, focus op korte termijn met ontwikkelingsperspectief op lange termijn, ruimte scheppen voor nieuwe ideeën en aanpakken, respecteren van autonomie maar wel elkaar professioneel aanspreken en de maat durven nemen).
  4. Discipline organiseren (waar willen we goed in zijn, waar krijgen we energie van, waar doen we het voor?).
  5. Doorleefd werken (ieder kind, iedere ouder en leraar weet vol trots de kern en kracht van de school te vertellen, schoolleiders en bestuurders slagen erin om de motivatie van medewerkers jaar na jaar te laten toenemen).

Een nieuwe generatie van ‘change agents’

“We hebben een kleine ingenieur in ons: van wat we hebben, weten we iets te maken. Ook in Nederland hebben jullie een goede basis hiervoor,” is de observatie van Sahlberg. “Het schoolsysteem een sterke impuls geven zal niet al te moeilijk zijn met de Nederlandse cultuur die open staat voor leren van anderen.” 
Het inmiddels beroemde internationale onderzoek van McKinsey (How the world’s most improved school systems keep getting better, 2010) legt ook de nadruk op enkele succesfactoren uit het Finse systeem. Zet de beste mensen voor de klas en zorg ervoor dat de besten van nu de volgende generatie opleiden. Voor de huidige leraren resoneert de oproep om structureel van elkaar te leren, samen lessen voor te bereiden, de klasdeur open te zetten en te reflecteren. De benodigde tijd hebben de Finse docenten gevonden in minder lesgeven. Het McKinsey-onderzoek geeft de schoolleiders een aanbeveling mee om in trajecten met 6-10 collega’s samen te werken aan de verbetering van kwaliteit op hun eigen school – daarbij van elkaars ervaringen te leren en tegelijk in hun school door experts te worden gecoacht.

De Finnen lijken deze aanbevelingen niet meer nodig te hebben. Echter, in de ogen van Sahlberg moet Finland zichzelf opnieuw gaan uitvinden. De laatste jaren was het eigenlijk te stil aan het front. De aandacht verschoof meer naar productiviteit en efficiëntie dan naar het verhogen van de kwaliteit. Ook overheidsbezuinigingen gaan niet aan dit land voorbij. Wat is de volgende fase? Aan de ene kant zie je experimenten met digitale scholen waar geen hard copy tekstboek meer te vinden is. Hoe zien scholen er dan uit? Ouders maken zich aan de andere kant zorgen daarover en benadrukken dat interactie tussen mensen essentieel is om te leren. Kinderen moeten niet de hele dag achter een schermpje zitten, of het nu om school of ontspanning gaat.

Een andere insteek is na te denken over een nieuwe manier van onderwijzen. De oudere generatie verlaat ook in Finland snel het arbeidsproces. Voor Nederland oppert hij om deze vergelijkbare situatie aan te grijpen als een unieke kans. Investeer in een compleet nieuwe aanpak van opleiden van jonge docenten: train ze als change agents in jullie scholen. Met een dosis creatief denken over welk type mensen je nodig hebt en wat zij nodig hebben voor vernieuwing in scholen kun je de hele opleiding van docenten nu radicaal veranderen! Daarmee benadruk je ook de gewenste richting voor het onderwijs in Nederland op lange termijn: niet de beste testresultaten halen, maar als samenleving leren omgaan met de dynamiek van complexe uitdagingen.

Samenspel voor open leren is hard nodig

De term ‘open leren’ spreekt tot de verbeelding. Open, toegankelijk voor iedereen, onafhankelijk van plaats en tijd kunnen leren. Je kunt ook denken aan open content en digitale leermaterialen die je voor school of eigen ontwikkeling legaal van het web kan halen. Bij een bezoek aan het Corlaer College in Nijkerk zag ik hoe dit in de praktijk vorm kan krijgen. Elk leerjaar heeft een eigen etage. Ik liep door het gebouw langs ruimtes met glazen wanden voor instructie, hoeken met computers voor digitale werkgroepen, flexibel samen te stellen tafels om samen te werken en een transparante kamer in het midden voor de docent en assistenten. Een open en transparante blik op leren staat op deze school aan de basis van zowel de onderwijsfilosofie als het gebouw.

Hoe ziet leren in de toekomst eruit als we deze filosofie voor open leren verder doortrekken? Welke kansen zien we voor een integrale aanpak voor open leren in het hele onderwijsveld? InnovatieImpuls Onderwijs nodigt scholen uit om mee te denken en een bijdrage te leveren aan een gezamenlijke aanpak.

Onderwijssector loopt achter op het gebied van open content

InnovatieImpuls Onderwijs (IIO) was aanwezig bij het 10-jarig jubileum van Creative Commons Nederland. Daar keken geïnteresseerden vooruit naar de toekomst van ‘open’ in verschillende sectoren zoals de creatieve sector (waaronder de muziekindustrie) en de publieke sector. Martijn Arnoldus gaf zijn visie hierop: “Opvallend is dat de sector onderwijs flink achterloopt bij de toepassing van open content. Ik zie daar een aantal oorzaken voor: de aard van het onderwijsmateriaal is complexer dan het materiaal in bijvoorbeeld de muzieksector. Ook is de cultuur in het onderwijs niet ingesteld op werken met open content. Docenten hebben weinig tijd om materiaal te maken en het delen van lesmateriaal zit niet in de genen. Sommige enthousiaste docenten maken zelf filmpjes maar auteursrecht is vaak onbekend terrein voor hen. Zomaar lessen op internet zetten mag niet zonder toestemming van de maker en zeker niet als er materiaal van derden wordt gebruikt, zelfs niet achter een inlogcode of in een klein gezelschap. De verplichtingen (de naam van de maker en de licentievorm vermelden, de gebruiker eventueel betalen) worden niet toegepast.”

Met een groep onderwijskenners vanuit IIO, Studio VO, Wikiwijs/Kennisnet, Open Universiteit en Wikimedia discussieerde ik tijdens het Creative Commons-jubileum over de toekomst van open leren en de rol van digitalisering daarin. De conclusie is dat dé volgende stap er niet is, een integrale aanpak is nodig.

Wel duidelijke toename zichtbaar

Intussen timmeren scholen en digitale platforms wel degelijk aan de weg. Volgens VO-content is het gebruik van de open digitale leerlijnen van actueel, multimediaal materiaal (de zogenaamde stercollecties) die deze site ontsluit, gestegen met 55% ten opzichte van vorig schooljaar. Ook gebruiken steeds meer docenten een stercollectie om een methode aan te vullen (8% meer dan vorig jaar) of te vervangen (2% meer dan vorig jaar). Dat klinkt heel positief, maar de benutting van digitaal materiaal in het onderwijs blijft nog steeds achter bij de mogelijkheden en de noodzaak die ook scholen voelen voor digitale geletterdheid van hun leerlingen en docenten, betoogt onderzoeker Alfons ten Brummelhuis van Kennisnet. Hij voert net als Martijn Arnoldus de cultuur in de school aan als knelpunt voor bredere benutting van digitaal materiaal in de lessen.

“Schoolleiders hebben een belangrijke rol bij het motiveren en inspireren van docenten om ICT te gebruiken tijdens hun lessen. In scholen is dit vaak een knelpunt.” 

In de experimenten Onderwijsteams, E-klassen en Leerlingen voor Leerlingen van IIO experimenteren 150 scholen op verschillende manieren met het toepassen, maken en arrangeren van digitaal lesmateriaal. Vanuit deze scholen krijgt de projectleiding van IIO vaak vragen over de selectie en kwaliteit van digitaal materiaal, de beschikbaarheid van materiaal voor alle leerjaren (lesmethodes en leerlijnen) en de actualisering ervan. Docenten passen materiaal vaak aan voor hun eigen lessen, maar die verbeterde of verrijkte stof wordt niet teruggebracht in de oorspronkelijke database. Invoering van een dergelijke feedbackloop zou de kwaliteit en bredere toepassing zeker ten goede komen. Met een continue terugkoppeling van materiaal en inzicht in het meest populaire of best beoordeelde materiaal komt er ook steeds meer zicht op wat docenten goed toepasbaar lesmateriaal vinden, hoe de samenhang met offline materiaal is en in welke werkvormen docenten het (kunnen) toepassen. Doel is uiteindelijk om digitaal leermateriaal als katalysator voor plaats- en tijdonafhankelijk leren te benutten.

Een voortrekkersgroep vormen

Initiatieven als VO-content en Wikiwijs zijn stappen in de goede richting maar het Open Domein blijkt te groot te zijn voor één partij. Jan Bart de Vreede van Kennisnet, verantwoordelijk voor Wikiwijs:

“Het is nog niet gelukt een integrale aanpak te realiseren. We hebben een voortrekkersgroep nodig die in samenwerking stap voor stap steeds de volgende zwakke schakel aanpakt om de complexe uitdaging vooruit te brengen.”

Wikiwijs zoekt de samenwerking bijvoorbeeld op met het Leermiddelenplein van SLO door het samenbrengen van inhoud en functionaliteiten in het Wikiwijsleermiddelenplein. Op dit digitale plein kunnen docenten terecht voor het zoeken, maken, delen en vergelijken van leermiddelen.

Het voorstel van De Vreede is om een voortrekkersgroep te formeren met de relevante partijen op het gebied van content, business en educatie. Hun taak zal zijn om gezamenlijk doorbraken te forceren op het terrein van open content om open leren te faciliteren. Partijen die genoemd zijn: Kennisnet/Wikiwijs, VO-content, Kennisland, Beeld en Geluid, Surf, businessvertegenwoordigers (uitgevers), scholen/leraren.

Op de agenda van de voortrekkers zal bijvoorbeeld staan:

  1. kwaliteit verhogen en bewaken van het digitale materiaal (van ‘losse’ onderdelen in een les tot hele leerlijnen), feedbackcyclus inbouwen van aanpassingen in het materiaal die niet alleen lokaal maar ook naar de brondatabase terugleiden;
  2. vindbaarheid van materiaal vergroten;
  3. bruikbaarheid en didactische correctheid garanderen;
  4. licenties open maken (je moet het materiaal aan kunnen passen);
  5. aanzwengelen van visievorming op scholen over hun rol in het arrangeren en actualiseren van leermateriaal en het delen en feedback geven op de kwaliteit ervan;.
  6. nieuwe businessmodellen bedenken (financiële prikkels gericht op het digitaliseren, delen en actualiseren van materiaal; nieuwe businessmodellen voor uitgevers);
  7. partnerschappen opzetten die een netwerk van specialismen verenigen.

Operatie Onderwijs: parade van visies in activistische sfeer

Op Operation Education ‘Festival of Solutions’ hangt een sfeer van activisme, bevlogenheid, frustratie en oproepen voor verandering. Meer mensen dan verwacht laten op 24 april hun stem horen dat het anders moet met het onderwijs in Nederland. Als ouder van basisschoolkinderen bleef mij aan het eind van het festival vooral bij dat we onze kinderen niet in het keurslijf van het goedbedoelde maar verouderde onderwijssysteem hoeven of moeten laten persen: er zijn genoeg mensen en scholen te vinden die laten zien dat onderwijs eigentijds en divers kan zijn. Als onderwijsvernieuwer bij InnovatieImpuls Onderwijs vroeg ik mij ook af waar de zeer brede en gevarieerde oproepen voor verandering toe leiden?

Hoe het begon

Claire Boonstra was op zoek naar een school voor haar kinderen maar kon de gewenste school niet vinden. Deze frustratie was de aanleiding voor haar TED-talk bij TEDxAmsterdamED in september 2012. Dit markeerde de start voor de beweging Operation Education (OE) die verder vorm kreeg in tweewekelijkse bijeenkomsten. Het doel van OE is vernieuwing van het onderwijs mogelijk maken en de samenleving bewust maken van de noodzaak en voordelen daarvan, zodat wij vanuit intrinsieke motivatie en op interactieve wijze kunnen leren wat voor onszelf en voor de samenleving waardevol is (aldus de website van Operation Education). Tjeu Seeverens, beleidsadviseur bij het Limburgse onderwijsbestuur SVO-PL, was onder de indruk van het gloedvolle betoog en mailde haar. Vanuit eenzelfde drive om onderwijsvernieuwing te realiseren, samen te leren hoe het dagelijkse lesgeven beter kan en te laten zien wat er al gebeurt, haakte hij (met 600 andere geïnteresseerden) bij het netwerk aan, en werd programmacurator van het Festival of Solutions. Seeverens pleit ervoor om naast de bekende belangenverenigingen ook een tegengeluid te laten horen in de media, in de politiek en in het land. Hij wil laten zien dat er meer diversiteit aan schoolvormen mogelijk is en deels al bestaat binnen het onderwijssysteem.

Meer vrijheid of teveel vrijheid

Op dit Festival of Solutions waren ruim 200 ouders, sommige mét kinderen, schoolleiders, docenten, vrijdenkers, oprichters van nieuwe scholen en vernieuwers binnen en buiten het systeem bij elkaar. Ik zag voorbeelden van vernieuwingen met behulp van ICT (zoals Nothing Is Unthinkable NIU, een social portal), van initiatieven voor verandering van binnenuit (zoals Knowmads, Geen School) en scholen (zoals Stad en Esch en basisschool de Vallei in Arnhem met het leerlingvolgsysteem Spectovitra). Een leerling uit groep 4 van deze Arnhemse school vertelde op de zeepkist heel helder hoe zij het ziet: “Op mijn vorige school mocht ik in groep 3 alleen de dingen doen die bij groep 3 hoorden. Niets van de kleuterklas en ook niks van groep 4. Nu kan ik kiezen en vind ik het werken veel leuker.” Daarnaast kwamen ook meer radicale vernieuwingen in en buiten het onderwijssysteem aan bod, zoals Steve Jobs-scholen, Sudburyscholen, thuisonderwijs en de democratische school.

Ik sluit me aan bij de visie van Simon Verwer die in zijn opiniestuk in Scienceguide vraagtekens zet bij zeer vrije vormen van onderwijs zoals het democratisch onderwijs met veel individuele vrijheid en aandacht voor de natuurlijke ontwikkeling. Ik vind dat ieder kind uiteraard het basisrecht heeft zijn talenten te ontwikkelen, maar ook het recht om te leren functioneren in de samenleving, die wellicht iets minder vrij is dan kinderen en volwassenen van nature zouden willen.

Wat is de inhoudelijke agenda van Open Education?

Verwer: “Hoewel de verschillende onderwijsclubs ideologisch zeer verschillend zijn, vinden ze elkaar in het onbehagen met de status quo. OE appelleert aan dit gevoel en streeft ernaar de positie van koepelorganisatie in te nemen.” Naast de ambitie om een overkoepelende rol in te nemen, is het nog de vraag welke inhoudelijke agenda OE heeft. OE heeft als visie benoemd: ‘Er is een grote verscheidenheid aan onderwijsvormen beschikbaar. Daarbinnen is ruimte voor en aansluiting bij de diversiteit van onze talenten, motivaties, leerstijlen en levensfilosofieën. Dit biedt kansen om onszelf via een natuurlijke leerweg te ontdekken en te ontwikkelen, om ons voor te bereiden op de wereld van vandaag en morgen en bij te dragen aan welzijn en vooruitgang.’ (bron: website Operation Education).

Mijn vraag die na het festival blijft staan is hoe deze visie vorm krijgt? Wat is de persoonlijke visie van Boonstra (zij ondersteunt naar verluidt (zeer) vrije vormen van onderwijs) en hoe staat het brede netwerk van OE-aanhangers daarin? Kan Boonstra de vele ideologieën en meningen zodanig verbinden dat de diversiteit ook een grotere impact krijgt?

Oproep tot actie

Als laatste spreker op het Festival of Solutions gaf Jelmer Evers (docent geschiedenis Unic Utrecht) niet het high tech-verhaal waar hij zijn faam mee verwierf (http://www.jelmerevers.nl/), maar pleit hij voor ruimte om leerlingen uit te dagen in het onderwijs. Na zijn ervaringen in Zuid-Afrika waar leerlingen een opvallend groot lerend vermogen bleken te hebben en de lessen die hij gaf op een tweetalige school, merkte hij dat hij zijn visie niet helemaal kwijt kon. Bij Unic kreeg hij vervolgens wel de ruimte om te experimenteren en deed hij veel pedagogische kennis op voor zijn vak als docent. Het curriculum, het leermateriaal en de schoolboeken zijn volgens Evers helemaal niet ambitieus en dagen zijn leerlingen niet uit. Evers pleit niet voor revolutionaire plannen voor alle scholen maar daagt docenten uit om de ruimte te pakken om hun leerlingen uit te dagen. Hij eindigt dan ook met de vraag: Wat ga jij doen?
Die vraag was al eerder in de brainstormsessies gesteld waarop de deelnemers acties hebben benoemd vanuit verschillende rollen. Een greep uit de acties:

  • Kinderen aan het begin van het schooljaar hun ideale school laten verbeelden.
  • ‘IENS voor scholen’: vul een IENS-site met ervaringen van ouders over hoe zij vinden dat de school, het kind en de leerkracht functioneren. Versterk vanuit je eigen verantwoordelijkheid de driehoek school, ouder, kind.
  • Een oproep aan producenten voor meer gepersonaliseerd lesmateriaal waarbij leerlingen en docenten zelf materiaal kunnen beoordelen.
  • Een oproep aan de politiek voor een kindgebonden onderwijsbudget.

Boonstra eindigde het Festival of Solutions met de oproep om zelf vorm te geven aan deze acties om de verandering te realiseren. Ik ben onder de indruk van de grote reikwijdte en media-aandacht die OE genereert voor onderwijs ‘dat anders moet en kan’, maar waar de verandering toe gaat leiden is nog erg diffuus.